Ons huis staat er nog
Hij verwacht mij terug
uit mijn toevlucht
Weer zal ik een logé zijn
op mijn kamer; het heeft
onze gezichten getekend
De drempel is verzakt
er zitten gaten in de muren
en de vloeren, en er is geen dak
van stromende liefde
om onder te wonen
Het huis valt verder in elkaar
We kunnen geen kant op
en wensen elkaar dan maar
een goed jaar toe, rode strepen
bloed over onze handen, wijn
en glasscherven op het tafelkleed
Zywa
The shards
Our house still stands
He awaits my return
from my refuge
Once again I will be a guest
in my room; it has
marked our faces
The threshold has subsided
there are holes in the walls
and floors, and there is no roof
of flowing love
to live under
The house is crumbling further
We have nowhere to go
so we simply wish each other
a good year, red streaks
of blood over our hands, wine
and shards of glass on the tablecloth
Zywa
Die Scherben
Unser Haus steht noch
Er erwartet meine Rückkehr
aus meiner Zuflucht, wieder
werde ich Gast in meinem Zimmer sein
Es hat unsere Gesichter gezeichnet
Die Schwelle ist abgesackt
es gibt Löcher in den Wänden
und Böden, und kein Dach
aus strömender Liebe
über dem Kopf
Das Haus zerfällt immer weiter
Wir haben nirgendwohin zu gehen
deshalb wünschen wir uns einfach
ein gutes Jahr, rote Streifen
Blut an den Händen, Wein
und Glasscherben auf der Tischdecke
Gedicht 5769 Amsterdam, 2025-12-16 Vijf gedichten van Frida Vogels, haar brief van mei 1970 aan haar man, en dagboekfragmenten van 27 november 1968 en 3 februari 1969 27 augustus 1967 - Stenen vallen tussen hen 23 januari 1969 - Wij keken elkaar aan 13 juli 1969 - Om onderkomen vragen 26 juli 1969 - Naar huis gaan 13 januari 1970 - Nog word ik verwacht / Ook op mij wordt gewacht Bundel: Tussen ons Trefwoord: Huwelijksrelatie Eerbetuiging aan: Vogels, Frida