Ze gooien stenen, zwaaien
met stokken en maken kabaal
Het dier rent weg, joelend
gaan ze er achteraan
door de velden
langs omheiningen
Over de sloot rust het
even, en vlucht, opnieuw
opgeschrikt, zigzaggend het bos in
waar het nog nooit geweest is
en, in het diepst
geen kant meer op kan
Hijgend gaat het liggen
warm in de koude nacht
maar alleen, genegeerd
door de andere dieren
Zywa
Homeless
They throw stones, wave
sticks, and make a racket
The animal runs away
Whooping they chase it
through the fields
along fences
Across the ditch, it rests
for a moment, and, startled again
flees, zigzagging into the forest
where it has never been before
and, in the deepest
can't go anywhere
Panting, it lies down
warm in the cold night
but alone, ignored
by the other animals
Zywa
Vertrieben
Sie werfen Steine, schwenken
Stöcke und machen Lärm
Das Tier rennt davon, johlend
jagen sie es hinterher
über die Felder
entlang der Zäune
Jenseits des Grabens ruht es sich
einen Moment aus, und flieht, erneut
aufgeschreckt, Zickzack in den Wald
wo es noch nie gewesen ist
und, im Tiefsten
nirgendwohin kann
Keuchend legt es sich nieder
warm in der kalten Nacht
aber allein, ignoriert
von den anderen Tieren
Gedicht 5786 Amsterdam, 2025-12-20 Vijf gedichten van Frida Vogels 13 november 1959 - Als een rendier dat over de omheining sprong 30 november 1960 / 10 september 1964 - Het gekwetste dier / Het gewonde dier 5 augustus 1969 - Arm dier 8 maart 1970 - Een dier dat telkens weer 21 oktober 1971 - Het rende Bundel: Schouwing Trefwoorden: Thuis: ontheemd, Dieren: hert / ree Eerbetuiging aan: Vogels, Frida